Toespraak op de 4 mei-herdenking 2026 van de voorzitter van Stichting MerkAz

Beste aanwezigen,

Vandaag op deze plek, herdenken en herinneren wij zoals elk jaar de 70 kinderen en hun begeleiders van het Centraal Israëlitisch Weeshuis die van hieruit in 1942 door de Nazi’s weggevoerd zijn en vrijwel allen in 1943 vermoord werden.

Wij doen dit omdat we overtuigd zijn dat dit niet vergeten mag worden. Ook 83 jaar later staan we hier als tweede, derde en ondertussen ook al vierde generatie van nabestaanden van slachtoffers of anders betrokkenen bij de Tweede Wereldoorlog.

Wij herdenken en herinneren… Wat betekent dat? Her-denken wil zeggen: wij denken opnieuw over al dat vreselijke dat gebeurd is en her-inneren wil zeggen: wij brengen al dat vreselijke opnieuw naar ons innerlijk. Wij denken en wij voelen er dus opnieuw over. En we proberen dit te doen met ons hart in ons hoofd en ons hoofd in ons hart.

Belangrijk is dat her-denken en her-inneren meer moet zijn dan terug-denken en terug-voelen. Terug-denken in de zin van waarom is dit gebeurd, had het niet voorkomen kunnen worden, is er voldoende verzet geboden door omstaanders en door Nederlandse instanties, enzovoort. Terug-voelen in de zin van proberen enigszins deelgenoot te zijn van de wanhoop, machteloosheid, pijn, angst, verdriet van de slachtoffers en achtergeblevenen. Ja, terug-denken en terug-voelen op deze wijze hoort bij her-denken en her-inneren. Maar er is meer nodig: er is ook vooruit-denken en vooruit-voelen nodig. Daar ligt bij uitstek, 83 jaar na het vreselijke lot van de kinderen en hun begeleiders, ónze verantwoordelijkheid. Dit moeten we oppakken.

Wat is dit vooruit-denken en vooruit-voelen? Wat houdt dit in? Waarschijnlijk verwacht u nu van mij dat ik daarover ga zeggen wat tegenwoordig vaak in herdenkingen zoals deze gesteld wordt: namelijk dat er zoveel parallellen te trekken zijn met de Nazi-bezetting van destijds en de situatie in vele landen in de wereld van nu. In vele conflictgebieden vallen immense aantallen onschuldige slachtoffers. Mensenrechten worden grootschalig geschonden. Autocratische regimes weten wereldwijd democratische rechtstaten weg te drukken en hele bevolkingsgroepen te drijven naar vreemdelingenhaat, naar demonisering van andersdenkenden en andersgelovigen, naar het geloof in de noodzaak tot oorlog met broedervolken, naar het overtuigd zijn van de onmogelijkheid van in vrede samenwonen van verschillende bevolkingsgroepen in hun landen, enzovoort.

Op deze wijze parallellen trekken tussen de Nazi-bezetting en het onrecht op dit moment in de wereld is absoluut legitiem en noodzakelijk. Maar het mag daar niet bij blijven.

Een sleutel om hiermee om te gaan is, denk ik, te vinden in het bekende verhaal uit de Bijbel, in het boek Numeri over de twaalf verkenners die Mozes had uitgestuurd om te rapporteren over de vruchtbaarheid van Kanaän en over hun bewoners. In het verhaal wordt uitgelegd waarom de Israëlieten 40 jaar in de woestijn moesten dwalen en waarom pas een volgende generatie het land mocht binnentreden. Het volk was in paniek geraakt door het bericht van tien van de verkenners over oninneembare steden en reuzen die de Israëlieten zouden vermorzelen als “sprinkhanen”. Het volk had geen oren naar het hoopvollere bericht van de twee andere verkenners, Joshua en Kaleb, die de reuzen niet ontkenden maar de vruchtbaarheid van het land benadrukten.

De Joodse traditie leert ons iets essentieels over de angst van de tien verkenners die ze vervolgens overdroegen op het volk. De rabbijnse uitleggers zeggen daarover: Niet wat de tien verkenners zagen was hun fout, maar wat zij dachten dat de tegenstanders over hen dachten.” De tien verkenners lieten hun eigen waarde en kracht bepalen door wat zij dachten te zien: alleen maar de blikken van haters die hen willen vermorzelen als “sprinkhanen”.

Hiervoor moeten we dus opletten. We moeten ervoor waken om ervan uit te gaan dat er zich steeds opnieuw een voortdurende herhaling van de gruwelijkheden uit de geschiedenis voordoet.

We moeten waken voor twee extreme reacties die beide uitgaan van het vermeende gegeven dat er alleen maar ‘haters’ zijn. De ene reactie is verlammende machteloosheid waarmee we niet uit de woestijn van de wanhoop over de voortdurend terugkerende gruwelijkheden geraken. De andere reactie staat daar diametraal tegenover en stelt dat we ons tot de tanden toe moeten bewapenen om ons tegen de “haters” die de gruwelijkheden veroorzaken te verdedigen en ze eventueel te kunnen uitschakelen. Enerzijds gaat het dus om een extreme slachtoffer-mentaliteit, anderszijds om een extreme krijger-mentaliteit.

Maar bestaat er iets tussenin? Ik blijf even in de beeldspraak met de vraag: wat als we het land binnentreden en willen zien dat de anderen daar niet alleen maar uit haters bestaan, dat hun blikken vaak niet die van haat zijn maar dat er ook vele blikken zijn van nieuwsgierigheid, van verwachting, van contact willen maken, van poging tot verstandhouding, van hoe kunnen we samenleven, van hoe komen we tot ontmoeting en dialoog in de ware zin…

Er is een prachtige gedachte uit de Joodse mystiek die zegt dat elke ziel op aarde een eigen, bijzondere missie heeft: een eigen verkenningstocht om bij te dragen aan de wereld van rechtvaardigheid en vrede die we het ‘Beloofde Land’ noemen. De zeventig kinderen van het Centraal Israëlitisch Weeshuis kregen de kans niet om hun verkenning af te maken. Hun werk bleef liggen.

Wij zijn de generatie die wél de grens naar het ‘Beloofde Land’ mocht oversteken om aan een wereld van rechtvaardigheid en vrede te werken. Wij lopen hier rond in een vrij land en kunnen verkennen waar en hoe we hier het potentieel tot het verder ontwikkelen van rechtvaardigheid en vrede kunnen benutten. En daarom dragen wij de heilige plicht om het onvoltooide werk van de kinderen over te nemen. Wij verzaken die taak als we de wereld alleen nog maar door de bril van wantrouwen en negativiteit bekijken en presenteren. Als we zeggen: “het is altijd hetzelfde, we zijn nergens veilig, de haat zal altijd overwinnen. Er zal altijd vreemdelingenhaat zijn, altijd onverdraagzaamheid, altijd antisemitisme”. Dat is de taal van de wanhoop van de woestijn. Dat is de taal van de sprinkhaan die ervan uitgaat vermorzeld te worden.

Deze taal willen we hier niet spreken als we willen vooruit-denken en vooruit-voelen bij dit her-denken en her-inneren van de kinderen en hun begeleiders van het Centraal Israëlitisch Weeshuis tijdens de Shoah.

Hun nagedachtenis zij tot zegen.